= de voorkant van je hoofd: kin, neus, mond, ogen.
Substantief
het gezicht – de gezichten
Voorbeeldzin
Je kan aan zijn gezicht zien dat hij liegt.

Taaltrajecten Nederlands
= de voorkant van je hoofd: kin, neus, mond, ogen.
Substantief
het gezicht – de gezichten
Voorbeeldzin
Je kan aan zijn gezicht zien dat hij liegt.
