haak

= een voorwerp dat krom of gebogen is, bedoeld om iets aan vast te maken. bijvoorbeeld de haak van een kapstok of een vishaak.

Substantief
de haak – de haken

⮕ verbum
aanhaken, afhaken

Voorbeeldzin
Ik hang mijn jas altijd netjes aan de haak bij de deur als ik binnenkom.

Uitdrukkingen:
Iets of iemand aan de haak slaan: iets of iemand te pakken krijgen.
⮕ Hij heeft een leuke job aan de haak geslagen.
Niet in zjin haak zijn: zich niet goed voelen.
⮕ Ik ben niet in mijn haak vandaag, ik denk dat ik een griepje heb.