= wat vogels leggen. Een kip legt ook eieren. Die zijn lekker en eten we op.
Substantief
het ei – de eieren
Ze kookte een ei voor het ontbijt.
Taaltrajecten Nederlands
= wat vogels leggen. Een kip legt ook eieren. Die zijn lekker en eten we op.
Substantief
het ei – de eieren
Ze kookte een ei voor het ontbijt.