Families: Adjectief

  • opgeschoten

    = flink gegroeid

    Adjectief
    opgeschoten

    Voorbeeldzin
    Mijn zoon is op korte tijd opgeschoten, hij is bijna even groot als ik.

  • razendsnel

    = supersnel

    Adjectief
    razendsnel – razendsnelle

    Voorbeeldzin
    Hij heeft me razendsnel geantwoord.

  • bang

    = angstig, je bent bang als je je niet veilig voelt.

    Adjectief
    bang – bange

    Voorbeeldzin
    Mary is bang in het donker.

    figuurtje dat bang is.

  • wakker

    = als je niet slaapt.

    Adjectief
    wakker – wakkere

    Voorbeeldzin
    Ik was al om 6 uur wakker dezemorgen.

    Man die wakker wordt

  • kaal

    = zonder bedekking, hoofd zonder haar.

    Adjectief
    kaal – kale

    Voorbeeldzin
    Mijn man heeft geen haar meer op zijn hoofd, hij is nu helemaal kaal.

    Kale man poetst zijn hoofd.

  • krom

    =.met een boog, niet recht.

    Adjectief
    krom – kromme

    Voorbeeldzin
    Als je geen lat gebruikt, zal je een kromme lijn tekenen.

    Een kromme lijn