= flink gegroeid
Adjectief
opgeschoten
Voorbeeldzin
Mijn zoon is op korte tijd opgeschoten, hij is bijna even groot als ik.
Taaltrajecten Nederlands
= flink gegroeid
Adjectief
opgeschoten
Voorbeeldzin
Mijn zoon is op korte tijd opgeschoten, hij is bijna even groot als ik.
=.met een boog, niet recht.
Adjectief
krom – kromme
Voorbeeldzin
Als je geen lat gebruikt, zal je een kromme lijn tekenen.

= supersnel
Adjectief
razendsnel – razendsnelle
Voorbeeldzin
Hij heeft me razendsnel geantwoord.
= angstig, je bent bang als je je niet veilig voelt.
Adjectief
bang – bange
Voorbeeldzin
Mary is bang in het donker.

= als je niet slaapt.
Adjectief
wakker – wakkere
Voorbeeldzin
Ik was al om 6 uur wakker dezemorgen.

= zonder bedekking, hoofd zonder haar.
Adjectief
kaal – kale
Voorbeeldzin
Mijn man heeft geen haar meer op zijn hoofd, hij is nu helemaal kaal.
